Vaardigheden

U bent hier

12 vaardigheden

De 12 bewegingsvaardigheden worden in 2 rubrieken onderverdeeld, enerzijds de vaardigheden die een locomotie (meestal een verplaatsing) inhouden en anderzijds de vaardigheden met objectcontrole. De vaardigheden die verplaatsing uitlokken, worden gekenmerkt door het gecoördineerd bewegen van het onder- en bovenlichaam of de armen en benen. De vaardigheden waarbij objectcontrole centraal staat, omvatten hoofdzakelijk bal- en slagvaardigheden, waaronder vangen, slaan, werpen, (laten) rollen, dribbelen, trappen... De oog-hand- en de oog-voetcoördinatie zijn hierbij van essentieel belang om de bewegingstaken tot een goed einde te brengen.

Dribbelen is een vaardigheid waarbij men een voorwerp met de hand, de voet of een ander voorwerp door herhaald tikken in beweging houdt of drijft. Het contact en de impuls zijn kort en het voorwerp blijft binnen het bereik van wie dribbelt.

Glijden is een vaardigheid waarbij het lichaam of een lichaamsdeel, al dan niet in direct contact met de ondergrond, zich met of zonder hulpmiddel verplaatst of wordt verplaatst.

Heffen is een vaardigheid waarbij men een voorwerp of een lichaamsdeel over een bepaalde afstand in het verticaal vlak verplaatst.

Dragen is een vaardigheid waarbij men een voorwerp vasthoudt en waarbij de drager zich al dan niet verplaatst.

Sluipen is een vaardigheid waarbij men zich in buiklig horizontaal voortbeweegt en waarbij het volledige lichaam steeds contact houdt met de grond.

Kruipen is een vaardigheid waarbij men zich op handen, voeten en knieën horizontaal voortbeweegt.

Klauteren is een vaardigheid waarbij men zich op handen, voeten en knieën schuin opwaarts voortbeweegt.

Klimmen is een vaardigheid waarbij men zich met handen en voeten verticaal voortbeweegt.

Roteren is een vaardigheid waarbij het lichaam of een lichaamsdeel draait (wijzerzin of tegenwijzerzin) rond de lengteas, breedteas of diepteas.

Slaan is een vaardigheid waarbij men een voorwerp met de hand, de arm of een slagvoorwerp gericht raakt, al dan niet in beweging brengt en waarbij het contact en de impuls kort zijn.

Springen is een vaardigheid die wordt gekenmerkt door een afstoot, een zweeffase en een landing, al dan niet voorafgegaan door een aanloop. Springen wordt opgedeeld in steunspringen (handen als steun gebruiken), ondersteund springen (met hulp) en vrij springen.

Trappen is een vaardigheid waarbij men met de voet, het onderbeen of de dij een voorwerp of lichaam doelgericht raakt, al dan niet in beweging brengt en waarbij het contact en de impuls kort zijn.

Trekken is een vaardigheid waarbij men een last met het lichaam, een lichaamsdeel of een hulpmiddel al dan niet in beweging brengt. De trekker bevindt zich steeds voor de last.

Duwen is een vaardigheid waarbij men een last met het lichaam, een lichaamsdeel of een hulpmiddel al dan niet in beweging brengt. De duwer bevindt zich steeds achter de last.

Vangen is een vaardigheid waarbij men met de handen of een hulpmiddel een voorwerp opvangt dat beweegt met een bepaalde snelheid en volgens een bepaalde richting.

Werpen is een vaardigheid waarbij men een voorwerp met de handen of een hulpmiddel projecteert en waarbij het contact en de impuls lang zijn.

Wandelen is een vaardigheid die gekenmerkt wordt door een periode van dubbele steun waarbij beide voeten contact maken met de grond.

Lopen is een vaardigheid die gekenmerkt wordt door een zweeffase waarbij beide voeten gelijktijdig een moment van de grond zijn.

Zwaaien is een overkoepelende term voor hangen, slingeren en schommelen.

Hangen is een vaardigheid waarbij men zich met het lichaam of een lichaamsdeel aan een toestel houdt, waarbij het toestel het lichaamsgewicht deels of volledig draagt, al dan niet zonder de grond te raken.

Slingeren is een vaardigheid waarbij men het lichaam of een lichaamsdeel, al dan niet m.b.v. een toestel, een heen- en weergaande beweging maakt en waarbij het toestel deze beweging niet ondersteunt.

Schommelen is een vaardigheid waarbij men m.b.v. een toestel, een heen- een weergaande beweging maakt en waarbij het toestel deze beweging ondersteunt.